BUITENKAMPEN


De Indo-Europeanen die buiten het kamp zijn gebleven moeten inspelen op een samenleving die 180 graden gedraaid is. Opeens bevinden zij zich onder aan de maatschappelijke ladder. De Japanners beschouwen de Indo-Europeanen als Aziaten, maar zij worden door hun gemengde achtergrond echter nooit helemaal vertrouwd. Want waar ligt hun loyaliteit? Hetzelfde geldt voor specifieke bevolkingsgroepen die als loyaal golden aan het Nederlandse bewind, zoals de christelijke Molukkers, de Menadonezen, de Chinezen en een klein deel van de Javanen.


Na de capitulatie zijn er verspreid over de archipel verschillende verzetsgroepen actief. Het verzet wordt veelal georganiseerd door KNIL-militairen die uit handen zijn gebleven van de Japanners en door zogenaamde Nippon-werkers, personen die verplicht hun werk buiten de kampen moeten voortzetten om de economie draaiende te houden. Zij worden geholpen door (Indo-)Europese vrouwen die nog buiten het kamp verblijven, Chinese burgers en Indische scholieren, vaak afkomstig uit de padvinderij. Voormalige Molukse KNIL-militairen spelen een belangrijke rol in het verzet, omdat zij zich vrij kunnen bewegen. Het verzet in Nederlands-Indië is van korte duur en speelt zich voornamelijk af in de periode van maart tot september 1942. De Nederlanders hopen dat de bezetting niet lang zal duren. Kerst 1942, is de gedachte, zal in vrijheid gevierd worden. De verzetsactiviteiten richten zich op het voorbereiden van militaire steun aan de Britten en de Amerikanen wanneer die Nederlands-Indië zullen bevrijden. Deze bestaan onder andere uit het verzamelen van militair-strategische gegevens, het verspreiden van geallieerde oorlogsberichten, wapens verzamelen, onderduikadressen verschaffen en het liquideren van Japanners. Het verzet wordt met harde hand bestreden door de Kempetai, de Japanse militaire politie, en de Politieke Inlichtingen Dienst (PID). Voor deze diensten is het vrij duidelijk wie de vijand is en welke bevolkingsgroep geneigd is tot verzet. De Japanners zijn zeer achterdochtig en menig persoon op wie slechts de verdenking berust van verzet, wordt als gevolg daarvan hard aangepakt. De verdachten worden opgepakt en gemarteld totdat ze veelal bekennen. Na berechting worden de (vermeende) verzetsstrijders door onthoofding geëxecuteerd, velen in het moerassige gebied Antjol bij Batavia.


Tegen maart 1943 hebben de Kempetai en de PID vrijwel het hele verzet onder controle, maar beide organisaties blijven de gehele bezetting alert. Vooral Indo-Europeanen en christelijke Molukkers worden continu scherp in de gaten gehouden. Regelmatig vinden er huiszoekingen plaats naar verboden voorwerpen zoals radio’s, vlaggen, portretten van koningin Wilhelmina, KNIL-uniformen en wapens. Personen worden opgepakt door verraad, verdwijnen alsnog in de gevangenis, worden gemarteld, soms vrijgelaten, soms geëxecuteerd. Veel personen die de martelingen hebben ondergaan en niet hebben bekend, mogen terug naar huis, alwaar ze alsnog sterven aan de gevolgen van de martelingen. Het gevoel van onveiligheid en angst regeert.


Direct na het begin van de bezetting vorderen de Japanse troepen en het Japanse bestuur kazernes en een groot aantal Europese woonhuizen voor eigen gebruik. De vrouwen en kinderen van KNIL-militairen die in de kazerne (tangsi) wonen, worden overgebracht naar kampen onder Japans toezicht. Het betreft hier met name Molukse, Menadoneze, Javaanse en Indo-Europese vrouwen. Het regiem in deze kampen verschilt per locatie en over het algemeen heeft men enige bewegingsvrijheid. De vrouwen zijn ook verantwoordelijk voor hun eigen levensonderhoud. Doorgaans worden ze door de Japanners ingezet bij verschillende werkzaamheden zoals in de landbouw. Bij de invordering van woonhuizen worden de bewoners op zeer korte termijn hun huis uitgezet en moeten ze zoeken naar een ander onderkomen. Een aantal gezinnen zoekt zijn toevlucht tot de beschermde wijken, die in een later stadium van de Japanse bezetting bestemd worden als interneringskampen.


Het alledaagse leven verloopt moeizaam voor de vele gezinnen. De meeste mannen zijn krijgsgevangen of geïnterneerd. Zo blijft er een gemeenschap over die grotendeels uit alleenstaande vrouwen met kinderen bestaat, die bovendien niet langer kunnen beschikken over loon, salaris of spaargeld. Er ontstaan acute geldproblemen. Vrij snel kunnen de huren niet meer worden opgebracht en veel vrouwen keren met hun kinderen terug naar het ouderlijk huis of gaan met een aantal gezinnen samen in één huis wonen. De kosten voor de huur en het levensonderhoud worden dan gedeeld. Sommigen komen zelfs op straat te staan en te leven. In een paar grote steden, zoals Batavia en Bandoeng, worden gaarkeukens opgezet en in sommige steden Indo-comités. Deze laatste behartigen de belangen van de Indo-Europeanen. Vanuit de comités worden er inkomstenbronnen gezocht voor de Indo-Europese vrouwen, zoals het breien van sokken voor Japanse militairen via de breicentrale.


Veel vrouwen houden zich in leven door hun eigen handeltje te beginnen, bijvoorbeeld door koekjes en snacks te maken, die de kinderen langs de huizen verkopen. Op het erf worden nu in plaats van sierplanten, gewassen verbouwd en kleinvee gehouden. Ieder gezinslid wordt ingezet om inkomen te verwerven. Oudere jongens en meisjes gaan bijvoorbeeld werken in touwfabrieken en ketjapfabrieken tegen lage lonen of een maaltijd. In de loop van de bezetting worden de jongens net als de Indonesische jongens en mannen verplicht werkzaamheden te verrichten, zoals romoesha-arbeid. Indische en Indonesische meisjes en vrouwen worden onder druk ‘gevraagd’ in Japanse bars te werken. Later blijkt dat het in sommige gevallen om gedwongen prostitutie gaat. De druk op de vrouwen neemt toe naarmate er een groter tekort aan prostitués ontstaat. Er is een constante dreiging. Voor de zekerheid verstoppen de oudere meisjes en jonge vrouwen zich bij huiszoekingen door militairen. Dit kan echter niet voorkomen dat een groep vrouwen gedwongen wordt om als ‘troostmeisje’ in Japanse bordelen te werken. Een levenslang trauma voor deze vrouwen.


Tijdens de Japanse tijd stimuleert de Japanse regering het onafhankelijkheidsstreven van Indonesië. Japan beschouwt Indonesië als kleine broer en deze moet hem daarom gehoorzamen. Het land belooft Indonesië op termijn de onafhankelijkheid. Het Indonesisch nationalisme onder leiding van Soekarno, de voorman van de Partai Nasional Indonesia (PNI), krijgt een nieuwe impuls. Veel jonge Indonesische mannen krijgen een Japanse militaire training en zijn daarmee op de strijd voorbereid.
Naarmate de bezetting voortduurt, worden de levensomstandigheden slechter. Voedsel wordt steeds schaarser onder andere door misoogsten en doordat veel voedsel bestemd wordt voor de Japanse bezettingsmacht. Honger wordt ook buiten de kampen een algemeen verschijnsel. De mensen ondernemen van alles om te overleven. Huisraad, lakens, kleding en sieraden worden geruild tegen eten. In de loop van de bezettingstijd raken deze middelen langzaam maar zeker uitgeput en wordt er op grote schaal bittere armoede geleden.


Intussen behalen de geallieerde troepen overwinningen op de Japanners en worden de Japanners steeds achterdochtiger tegenover mogelijke vijanden van binnenuit. Potentiële vijanden zijn de Indo-Europeanen en met name de groep jongeren, jonge mannen die tijdens de bezetting zijn opgegroeid en in de ogen van de Japanners zorgen voor politieke instabiliteit. Er wordt sterk getwijfeld aan hun loyaliteit. Eind 1943 richt het Japans bestuur het Bureau voor Indo-Europese Zaken op. Aan het hoofd komen pro-Indonesische Indo-Europeanen. Vanaf half september 1944 krijgen de Indo-comités opdracht jongeren vanaf zestien jaar op te roepen om te werken in landbouwkampen, die bedoeld zijn als heropvoedingsgestichten. Dit vindt plaats in Batavia, Malang, Semarang en Soerabaja. In Batavia moeten de jongens een loyaliteitsverklaring tekenen. Zij weigeren in groten getale en worden als politieke gevangenen vastgezet in de Glodokgevangenis. Vanuit de andere steden worden de jongens tewerkgesteld in de landbouwwerkkampen. Menig jongere heeft in de gevangenis en in de landbouwkampen het leven gelaten door de slechte leefomstandigheden en het harde regiem. In het werkkamp Goembergesing bij Dampit wordt een groep jongens in oktober 1944 gearresteerd op verdenking van seinen naar geallieerde vliegtuigen en het treffen van voorbereidingen voor een geallieerde landing. Dertien jongens van de groep worden in juni 1945 geëxecuteerd en de anderen verdwijnen in de gevangenis. Ze verblijven daar tot het eind van de bezetting.

© 2020 Stichting Regionale Herdenking Nederlands-Indië Gooi- & Vechtstreek

Noorderbegraafplaats Laan 1940–1945 nr. 2 te Hilversum

Deze website maakt gebruik van cookies. Door te klikken op "Accepteren" gaat u akkoord met ons gebruik van cookies.

Lees meer
Accepteren