15 AUGUSTUS 1945


Op 15 augustus treft men in Nederlands-Indië een uitgedunde, berooide (Indo-)Europese gemeenschap aan, waarvan een gedeelte geïnterneerd is en veel krijgsgevangenen zich nog buiten Indië bevinden. De capitulatie is geen bevrijding, want de geïnterneerden moeten in de kampen blijven en worden nu bewaakt door de Japanners – hun voormalige vijand – tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Veel buitenkampers gaan zelfs voor hun veiligheid naar de beschermde kampen. Bezittingen zijn verloren gegaan, er zijn veel doden te betreuren, veel gezinnen verkeren nog lange tijd in het ongewisse over het lot van familieleden. Ook de ‘inheemse’ bevolking in de archipel heeft zwaar te lijden gehad; er zijn hongersnoden en de Japanse capitulatie heeft tot een gevaarlijk machtsvacuüm geleid. En ondertussen is er een dekolonisatieoorlog uitgebroken. Er is geen tijd en ruimte voor verwerking van verdriet. Het oude Nederlands-Indië komt nooit meer terug, maar dat zal pas veel later duidelijk worden.


EEN LANGE STRIJD OM ERKENNING

Overtocht naar Nederland en de opvang


Door de onveilige situatie zijn opvang en verzorging van ex-geïnterneerden in Nederlands-Indië zelf niet mogelijk. Eind 1945 begint daarom de evacuatie naar Nederland. Het Centraal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers (CBVO) heeft de verantwoording over de Indische evacués. Nederland heeft zelf net de Duitse bezetting achter de rug en is sterk verarmd. Het land is nog volop bezig het gewone leven weer op te pakken en kampt met een groot tekort aan huisvesting. Voedsel en textiel zijn nog altijd op de bon. De evacués uit Nederlands-Indië worden over het algemeen opgevangen door de Nederlandse familie en wanneer dit niet mogelijk is in contractpensions. Het eerste half jaar ontvangen ze gratis gezondheidszorg en dubbele bonnen. Sommige Nederlanders kijken hier met afgunst naar en dit levert het scheldwoord ‘dubbele bonnenvreters’ op. Met hun eigen Europese oorlogservaringen vers in het geheugen blijken veel Nederlanders weinig oor te hebben voor ervaringen van anderen. Ook binnen de eigen familiekring vinden de Indische evacués weinig gehoor voor hun oorlogservaringen omdat daar het Europees oorlogsleed domineert. Velen zwijgen hierover.


In dezelfde periode raakt Nederland verwikkeld in de dekolonisatieoorlog. Er worden ruim 210.000 militairen ingezet, van wie zo’n 70.000 militairen van het KNIL, 120.000 van de Koninklijke Landmacht (KL) en 20.000 van de Koninklijke Marine (KM). Onder deze militairen bevinden zich ongeveer 100.000 dienstplichtigen en zo’n 25.000 oorlogsvrijwilligers uit Nederland. Zodoende raken steeds meer Nederlanders rechtstreeks betrokken bij de oorlog in Indië. Nederland moet uiteindelijk Nederlands-Indië opgeven onder sterke internationale druk. Nederlands-Indië is verleden tijd. De wederopbouw van Nederland eist alle aandacht op.


Na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 wordt het Nederlands-Indisch gouvernement met zijn diensten ontbonden en wordt het KNIL opgeheven. Er vindt een grote uittocht plaats van hoofdzakelijk ambtenaren en KNIL-militairen met hun gezinnen en uitgezonden militairen van de KL en KM. In tegenstelling tot de groep evacués is het percentage Indo-Europeanen, die generaties lang in Indië gewoond heeft in deze groep groter. Voor velen van hen is het de eerste kennismaking met Nederland. Zij hebben over het algemeen minder familie in Nederland die hen kan opvangen. De opvang wordt verzorgd door de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) en velen komen in een contractpension terecht. In 1951 volgen nog elf transporten met in totaal 12.000 Molukse ex-KNIL militairen met hun gezinnen voor een ‘tijdelijk’ verblijf in Nederland. Zij worden geïsoleerd van de Nederlandse samenleving opgevangen in kampen. Hun leven in Nederland staat nog lang in het teken van het gedwongen vertrek. Zij voelen zich onrecht aangedaan in verband met wat zij beschouwen als de gebroken belofte van de Nederlandse regering om hen terug te brengen en te laten demobiliseren op Ambon en in verband met de strijd om een Vrije Republiek van de Zuid-Molukken. Hoewel de Molukkers een gedeeld oorlogsverleden hebben met de Indische gemeenschap, ontwikkelt de herinneringscultuur van beide groepen zich door de naoorlogse ontwikkelingen afzonderlijk en verschillend van elkaar. De toegang tot Nederland is niet vanzelfsprekend. Dit betreft met name de Indo-Europeanen. Zij worden bij de soevereiniteitsoverdracht voor de keuze gesteld: Nederlander blijven of opteren voor het Indonesisch staatsburgerschap (warga negara). Slechts een minderheid kiest voor het laatste. Lange tijd houdt Nederland de boot voor achtergebleven Nederlandse Indo-Europeanen letterlijk af. In de jaren vijftig verslechtert hun maatschappelijke positie in Indonesië aanzienlijk. Werkeloosheid, armoede, discriminatie en bedreigingen vallen hen ten deel. Om in Nederland toegelaten te worden moeten zij aan strenge voorwaarden voldoen. Het geeft hen het gevoel van tweederangsburgers. Pas nadat de positie van de Indo-Europeanen in Indonesië steeds meer onhoudbaar wordt, wordt het toegangsbeleid door Nederland versoepeld. Met hen vertrekt ook een groep Indo-Europeanen, die eerder gekozen hebben voor het Indonesisch staatsburgerschap, maar teruggekomen zijn op deze keuze, de zogenaamde ‘spijtoptanten’. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig arriveert de laatste groep repatrianten als gevolg van de spanningen met Indonesië rondom het onafhankelijkheidsstreven van Nieuw Guinea en uiteindelijk de overdracht van dit land in 1962.


De opvang in Nederland wordt door de meeste repatrianten als ‘kil’ ervaren en het paternalistisch beleid rond de integratie van de Indo-Europeanen als vernederend. Veel Indische Nederlanders hebben zich niettemin geruisloos geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Zij zwijgen niet alleen over hun eigen identiteit maar ook over hun oorlogservaringen. Vanaf de capitulatie van Japan blijft een aantal kwesties onopgelost. De voornaamste hiervan zijn het uitblijven van de uitbetaling van de achterstallige salarissen en soldij tijdens de Japanse bezetting, de zogenaamde backpay, en het herstel van oorlogsschade door verloren bezittingen en spaargelden. De onvrede rond deze zaken wakkert andere onvrede aan. Eén daarvan is de behandeling van de slachtoffers van de Japanse bezetting tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei.

© 2020 Stichting Regionale Herdenking Nederlands-Indië Gooi- & Vechtstreek

Noorderbegraafplaats Laan 1940–1945 nr. 2 te Hilversum

Deze website maakt gebruik van cookies. Door te klikken op "Accepteren" gaat u akkoord met ons gebruik van cookies.

Lees meer
Accepteren